Winterslaap der straatengelen

Alhoewel we aan de Kust van het Licht woonden, waren nergens de wintermaanden zo donker als in El Puerto de Santa Maria. Vanaf oktober, als de zomergasten, toeristen en pensionista’s de ijskoude Atlantische wind zoveel mogelijk meden, was de stad weer even dorp. Verwarming, thermopeen of andersoortige isolatie, waren in de oude binnenstad tussen de haven en de stierenarena van El Puerto nog niet doorgedrongen. Wie mooi wilde wonen moest maar pijn lijden, vonden we. Wie een keuken had met een kachel, leefde drie maanden in de keuken. Met een beetje pech of mazzel (maar net hoe je het bekijkt) heb je drie maanden de halve straat in de keuken zitten. Wie een kroegje had dat klein en warm was, deed goeie zaken.

Deze stad, door de Spanjaarden en toeristengidsen ook wel ‘La ciudad de los cien palacio’s’ genoemd, was gebouwd voor de zomermaanden. Al eeuwen geleden zetten de rijke cherry-families hun tientallen‘zomerpaleizen’ hier neer om de zengende hitte van het achterland te ontvluchten en avond na avond te flaneren langs de standsstranden en te feesten in de familiewijnkelders. Zet een groep pionierende Ieren, Zuid Spanjaarden en Zuid Amerikanen bij elkaar in een winderig hanvenstadje en je hebt behalve eeuwen van handel ook eeuwen van feest.

Ik woonde toevallig in zo’n rose zomerpaleis, ooit het vrouwen- en renpaardenverblijf van de invloedrijke cherryfamilie ‘Caballero’. Het tochtige, maar prachtige bediendenhuis op het dak van het paleis, dat ik voor twee jaar huurde om te werken en te wonen was net zoals de rest van deze immense rose, 17e eeuwse marmertaart, ook niet bepaald winterproof. Schrijfdagen van stilzitten achter de laptop zoals in de zomer, was er niet bij.

De binnenstadbewoners kropen letterlijk en figuurlijk dichter bij elkaar. De kleinste kroegjes en flamenco-keldertjes zaten bomvol elke avond, terwijl de grote horecajongens luiken op hun gevels lieten timmeren voor de winter. Het had iets spookachtigs, maar ook iets geruststellends; iedereen kende elkaar weer en wij deelden de lege pleinen en straten met de wind en met elkaar. Als je alle warme plekken wist in de stad, dan was de kans op een winterdepressie het kleinst.

De kleurrijke figuren die in de zomermaanden de straathoeken en doorgezakte terrasstoelen op alle strategische plekken in de haven en de binnenstad bezetten, verdwenen met het naderen van de winterstormen. Zoals onze aller pleinpatriarch Cabeza, wiens rheuma en toch al bozige humeur bij gebrek aan zonlicht dusdanig opspeelde, dat hij van zichzelf vond dat hij beter niet te veel onder de mensen kon komen.
Soms, omdat we zijn gebrom en geblaf mistten, bezochten we hem met een paar stamgasten van Paco’s koffiehuis, waar Cabeza op het terras 8 maanden per jaar kantoor hield. Zijn uitgebouwde dubbele autogarage aan de rand van de wijk, waar de verharde bestrating en legale stroomaansluitingen ophielden, had hij afgelopen jaren omgetoverd tot een ‘boengaló Americano’ van pracht en praal, vol marmer, messing en stijgerende paardenbeelden.

‘El boengaló’ was het winterdomein van Cabeza’s vrouw, inwonende dochter met twee kleine kinderen, zijn 93-jarige schoonmoeder. Cabeza zelf sleet de korte winterdagen in zijn ‘bodeguita’; een zelf gegraven keldertje op de patio, compleet met antieke eiken Pedro de Jimenez-vaten, prachtige selectie Oloroso en een klein Maria-grotje met eeuwige vlam op 12 Volt. Het keldertje van Cabeza zat als gegoten om zijn grote lichaam heen. Wij pastten er eigenlijk niet echt meer bij en zaten met z’n 3-en op het tochtige trapje, knieën in elkaars rug, elk een limonadeglas peperdure Oloroso. ‘Laten we eten en drinken tegen de kou en de duisternis’, zei Cabeza terwijl hij weer een half vol glas in de lucht stak. Cabeza in zijn keldertje had iets plechtigs en komisch tegelijk, hij leek op een oude tovenaar in een veel te kleine tovergrot.

We bleven altijd maar twee glaasjes Oloroso lang bij Cabeza in de winter. Want na twee glaasjes was de kans erg groot dat hij Boney M ging draaien, na drie glazen meende hij dat hij terminaal was en de winter niet zou overleven, om vervolgens een kudde luidruchtige, zuipende hard-core flamenco-neven te mobiliseren voor een feest waar je alleen met een pistool of een ziekenauto nog weg kunt komen. We waren er allemaal al een keer ingetrapt, in dat derde glaasje oloroso.

Zodra het weer lente werd en de zon de stenen van het plein en de kades weer verwarmde, de koude zeewind zich terugtrok uit de straten, was hij er weer. Als een dikke oude engel zat hij weer voor Paco’s bar. Cabeza in de zon, gewassen en geschoren, getalkt, gekamd en gebrylcreemd; een aandoenlijk gezicht. ‘Ik ben er weer!’ Riep hij dan dagenlang tegen zo ongeveer elke voorbijganger. Niemand toonde uitbundige blijdschap, maar van binnen waren we best allemaal opgelucht dat de beer weer uit zijn winterhol geklommen was. Want Cabeza was de voorloper van de optocht die alle kleurrijke mensen weer op de straten leek te trekken.

Binnen een week waren ze er allemaal weer:
Cabeza, Julio el Ciego de blinde lootjesverkoper, Marta met de zeven pruiken, Josita met haar schrale stem, Pepe met zijn dieselsloepjeshandel, Juamo die niet echt de neef van Camaron was, Paquito el pintor die eigenijk niet kon schilderen, de dikke jongens van Las Sopas die altijd en overal zongen, Borja del Norte die Cantabria nog steeds mistte, Lupa de schone Argentijnse waar iedereen verliefd op werd, Loli die de beste chicharones kon bakken van de hele provincie, El Calvo, het zwarte schaap van de Osbornes en Mussaf die Chinese tapijten en snelkookpannen verkocht op de parkeerplaats bij de boten.

De straatengelen waren weer terug, om de stad van de honderd paleizen te behoeden voor gewoonheid van massatoerisme en costa-sleur. Zolang zij er nog waren, had deze stad als een van de weinige aan de kapotgeexploiteerde costa’s, zijn eigen(zinnig)heid en authenticiteit kunnen behouden.

Plaats een reactie