Zwart onder een brandende zon

In het stoffige Andalusische gehucht waar ik ooit woonde, leerde ik dat rouw niet per se stil is. Daar liep het over straat, gehuld in lagen zwart die de zon opslokten. Jurken die zwaar vielen langs de enkels, kousen die de hitte trotseerden, alsof het lichaam zelf het verlies moest dragen.
Rouwen had er ook haast. In de verzengende zomers moest alles snel: waken, eten, drinken, regelen. Bij voorkeur binnen achtenveertig uur. De dood duldde geen uitstel in de hitte.
Dan verscheen hij weer, dat logge reliek uit een andere tijd: de brommende, gekoelde baartafel uit de jaren zeventig, zo lek als een zeef. Het zware gevaarte werd vanuit een opslagplaats door de smalle, steile straatjes gesleept en in de voorkamer geïnstalleerd, stoelen met afgezaagde poten werden om het baar heen gezet en onder de bartafel werden tupperwarebakjes neergezet om het lekwater op te vangen.
In de rouwkamer klonk geen gefluister, maar een koor van verdriet. Handen sloegen op borsten, stemmen braken open tegen het plafond, waar ergens — ver voorbij het witgekalkte stuc — de hemel moest beginnen.
Waarom, God? Waarom niet ik?
Rouw werd daar niet weggestopt, maar uitgestald.
Niet gedempt, maar uitgesproken in eeuwenoude gebaren.
En toch, wie beter keek, zag soms al na weken het andere verhaal.
Ogen die weer gingen fonkelen. Lippen die weer lachten. Een leven dat zich niet liet temmen door de kleur die het droeg.
Ik droeg in die tijd ook meestal zwart. Lekker gemakkelijk en het stond me goed, vond ik zelf. De neiging om het zwart naar buiten te dragen, en de kleur naar binnen te verplaatsen had ik altijd al.
Catalina, al ruim dertig jaar in het zwart gekleed sinds het overlijden van haar echtgenoot, vond het lekker comfortabel, ondanks de hitte. Haar persoonlijkheid en verhalen waren oogverblindend kleurrijk en licht. Ze had een twinkel in haar ogen die jeugdiger en vuriger was dan haar 87 jaar deden vermoeden.
Het echte, het ontembare hield zich schuil onder dikke nylons en een vormloze jurk.
De rouw die we parkeren
Er is een moment waarop rouw stokt.
Niet omdat het voorbij is, maar omdat het nergens meer heen kan.
We noemen dat verwerken.
Maar dat is een optimistisch woord voor iets dat vaak helemaal niet beweegt.
Rouw heeft de reputatie van stroming. Van golven. Van fasen die elkaar netjes opvolgen, als een soort emotionele jaarrekening. Eerst ontkenning, dan woede, dan verdriet, en ergens aan het einde, als beloning voor goed gedrag, aanvaarding.
Maar in werkelijkheid lijkt rouw vaker op stilstand.
Op iets dat zich vastzet.
Niet omdat het te groot is, maar omdat het geen richting krijgt.
Misschien is dat wat er gebeurt als rouw geen taal vindt.
Of geen ruimte.
Of geen getuige.
Dan blijft het liggen.
We denken vaak dat empathie begint bij de ander.
Dat het een beweging naar buiten is: invoelen, meebewegen, begrijpen.
Maar wat als empathie begint bij iets anders?
Bij de mate waarin je je eigen verlies onder ogen kunt zien.
Niet groots en meeslepend, maar precies genoeg om het te herkennen wanneer het zich in een ander aandient.
Wie niet weet hoe zijn eigen rouw klinkt, hoort die van een ander als ruis.
Of erger: als iets dat opgelost moet worden.
Misschien is dat waarom we zo snel troosten.
Waarom we koffie aanbieden waar stilte nodig is.
Waarom we verhalen afkappen met praktische zinnen.
“Laten we het over leuke dingen hebben. Koffie?”
Het zijn geen harde afwijzingen.
Het zijn manieren om beweging te vermijden.
Want rouw is besmettelijk.
Niet in de zin dat je er ziek van wordt, maar dat het je stilzet. En stilstand is ongemakkelijk in een wereld die draait op voortgang.
Dus leren we het af.
We leren om verdriet te doseren.
Om het in te plannen.
Om het hanteerbaar te maken voor onszelf en voor de ander.
We ontwikkelen een soort sociaal acceptabele rouw: zichtbaar, maar niet te lang. Voelbaar, maar niet te diep. Aanwezig, maar niet verstorend.
Alles wat daarbuiten valt, noemen we zwaar. Of ingewikkeld.
Of we noemen het iemand die “erin blijft hangen”.
Maar wat als dat hangen geen falen is?
Wat als het precies daar stokt omdat daar iets nog niet gezien is?
Niet door de ander.
Maar door onszelf.
Er zit een ongemakkelijke vraag onder:
in hoeverre is ons vermogen tot empathie afhankelijk van onze bereidheid om stil te staan bij onze eigen pijn?
Niet het grote drama, maar het kleine, onaffe verlies.
Dat wat nooit echt een plek heeft gekregen.
De rouw die we geparkeerd hebben omdat er geen tijd was.
Of geen ruimte.
Of omdat iemand anders het harder nodig leek te hebben.
We denken graag dat empathie een karaktereigenschap is.
Iets wat je hebt of niet hebt.
Maar misschien is het eerder een vaardigheid in verdragen.
Het verdragen van stilstand.
Van ongemak.
Van iets wat niet opgelost kan worden.
En misschien ook van jezelf. Want daar stokt het vaak.
Niet bij de ander, maar bij de grens van wat we zelf aankunnen.
Dat maakt de vraag ongemakkelijker dan hij lijkt: hebben we soms gebrek aan empathie, of hebben we gebrek aan geoefende rouw?
Niet omdat we niet willen voelen. Maar omdat we niet geleerd hebben hoe.
Rouw vraagt geen oplossing. Geen tempo. Geen richting.
Rouw vraagt uithoudingsvermogen. En misschien is dat wel het meest onderschatte vermogen dat er is.
Niet het vermogen om door te gaan,
maar om te blijven waar het schuurt.
Bronnenlijst
Kübler-Ross, E. (1969). On Death and Dying. Macmillan.
Metcalf, P., & Huntington, R. (1991). Celebrations of Death: The Anthropology of Mortuary Ritual (2e dr.). Cambridge University Press.
Stroebe, M., & Schut, H. (1999). The dual process model of coping with bereavement: Rationale and description. Death Studies, 23(3), 197–224.
Taylor, L. (1983). Mourning Dress: A Costume and Social History. Routledge.
Worden, J. W. (2018). Grief Counseling and Grief Therapy: A Handbook for the Mental Health Practitioner (5e dr.). Springer.
Plaats een reactie