Hij kan niet lezen, maar leest mij wel

Portret van Jan M. Dael, met een korte baard en haar, in formele kleding.

Het is half zes. Buiten is het nog donker en Biko heeft besloten dat de nacht erop zit. Moeder Natuur heeft kennelijk iets voor me in petto, want slapen zit er voorlopig niet meer in. Biko heeft nachtdienst, ik doe ”de vroege”.

Biko is een kruising tussen een Mastín Español en een Duitse herder. Zeveneneenhalve maand oud, zo’n vijfenveertig kilo en inmiddels een soort boswachter in opleiding. Hij hoort alles. Een eekhoorn die uit een boom valt, een wild zwijn dat zich door het struikgewas beweegt, een hond die vierhonderd meter verderop een keer blaft. En dan is er nog die vos. Al weken horen we ergens in de bosjes een geluid dat verdacht veel weg heeft van een gewond vosje. Ik heb het geluid opgezocht op Google. Biko vindt het allemaal reden genoeg om zijn stembanden te oefenen. Inmiddels heeft hij wel geleerd dat niet iedere vallende eekhoorn een reden is om een kwartier alarm te slaan. Er zit dus vooruitgang in.

Rond half zes beukt hij tegen de deur. Tijd om naar binnen te komen. Vindt hij. Eenmaal binnen draait hij zich om en begint vrijwel onmiddellijk te snurken. Het geluid van een oude man die na een fles jenever in zijn stoel is gezakt. Mijn echtgenoot slaapt ondertussen gewoon door. Die zou vermoedelijk ook een kernoorlog missen. Ik slaap met één oog open en dat heeft zo z’n voordelen en nadelen.

Biko heeft dus weinig gevoel voor subtiliteit. Hij eet alsof hij al weken niets heeft gehad, geeft knuffels waarbij je bijna een paar ribben breekt en zijn melktandjes hebben inmiddels plaatsgemaakt voor een indrukwekkend gebit en dito formaat kaken. De puppy-krokodillenaanvallen nemen gelukkig af. Een potje stoeien is een waar gladiatoren-gevecht. Mijn biceps en kipfilets varen er wel bij. Ook op latere leeftijd moet je tenslotte iets aan je spiermassa doen.

Inmiddels komt buiten de zon op. Ik zit met een kop koffie onder een deken en zie aan de overkant de bergruggen langzaam uit de wolken verschijnen. Biko ligt weer prinsheerlijk te ronken als een kapotte generator. Zijn nachtdienst zit erop. Mijn dag kan beginnen.

Veel praktische hulp heb ik niet aan hem. Maar als mentale ondersteuning is hij onovertroffen. Hij houdt nauwlettend in de gaten of ik nog beschikbaar ben bijvoorbeeld. En dat ben ik de afgelopen maanden niet echt. Hij legt een speeltje op mijn schoot, trekt aan mijn kleding of deponeert een halve boomstam voor mijn voeten. Dat laatste is een uitnodiging om te spelen. Ik gooi de stam door de olijfgaard, hij rent erachteraan, gaat zitten en wandelt vervolgens weer terug. Ik heb niet goed geworpen, blijkbaar.

Mijn dagen zijn hier tegenwoordig tamelijk rustig. Ik zit, denk, lees, mompel wat, schrijf, wis en herschrijf. Af en toe vertelt mijn lichaam dat ik moet bewegen. Mijn maag vindt dat het tijd is om te eten. En Biko vindt vooral dat ik al veel te lang zit.

Schrijven is een merkwaardige bezigheid. Voor je medemens en -dier is het saai. Het is topsport voor je hoofd. Het kan je uitputten en tegelijkertijd een enorme hoeveelheid energie geven. Een beetje zoals een marathon lopen, vermoed ik. Al ben ik daar altijd te lui voor geweest.

Als je een roman schrijft, leef je maandenlang samen met mensen die niet bestaan. Ze worden bekenden. Je reist met ze mee, zit naast ze in een café of in een auto en kijkt door hun ogen naar de wereld. Ondertussen moet je van alles bijhouden. Wie wat heeft gezegd, wat iemand in hoofdstuk vier heeft beloofd en waarom dat in hoofdstuk twaalf niet zomaar vergeten kan worden. De verhaallijn mag niet te dun worden, de woorden niet te veel en de lezer moet vooral blijven lezen, ook als je zelf allang weet hoe het afloopt.

En dan zijn er de mensen die wél bestaan. In Casinos, en eerder in Cartajima, heb ik mensen leren kennen die gemakkelijk mijn grootvader hadden kunnen zijn, of een van de andere figuren uit het boek. Ze vertellen over het dorp, vroeger, de buren, hun ouders, hun kinderen en hun huwelijken. Gesprekken die alle kanten op gaan. Veel slap ouwehoeren dus. Een vraag roept een herinnering op, die weer een andere herinnering oproept. Een half uur later weet ik soms niet meer precies wat ik ook alweer wilde weten.

Ik houd van dat luisteren naar al die verhalen. Soms zit het interessantste niet in wat iemand vertelt, maar in wat er tussen de regels door te horen is, of juist verzwegen wordt. Tussen de anekdotes en zijpaden glipt dan ineens iets naar buiten: een herinnering, een verlies, een gebeurtenis die iemand liever niet rechtstreeks benoemt. Niet omdat iedereen een geheim heeft, maar omdat mensen hun eigen werkelijkheid hebben. En omdat een verhaal zelden precies hetzelfde is als de geschiedenis die eraan voorafging.

Er is één verhaal dat me de afgelopen 30 jaar steeds weer heeft beziggehouden. Het begon bij mijn opa, Jan Dael. Een boekbinder uit Venlo, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in concentratiekamp Mauthausen terechtkwam.

Hij stierf in maart 1945 in Mauthausen. Dat is de historische werkelijkheid. In mijn roman laat ik hem in mei 1945 naar buiten lopen. Daar begint de fictie.

Wat gebeurt er als een man die in werkelijkheid nooit meer thuiskwam, in een verhaal wél terugkeert? Wat blijft er over van zijn identiteit? Wat betekent dat voor de mensen die hem hebben gekend, voor zijn familie en voor generaties die na hem komen?

Vanuit die ene verandering ontvouwt zich een verhaal over twee levens, een verdwenen identiteit en een geschiedenis die zich niet zomaar laat begraven. Van Venlo naar Spanje, van de oorlog naar generaties later. Een professor probeert te achterhalen wat er met deze man is gebeurd. Er zijn mensen die iets weten, mensen die zwijgen en mensen die denken dat ze het verhaal van een ander kunnen vertellen.

Daarmee raakt het verhaal aan een vraag die me al mijn hele leven bezighoudt: van wie is een verhaal eigenlijk? Wie mag het vertellen, wat wordt herinnerd en wat verzwegen? Mijn opa’s geschiedenis is onderdeel van onze familiegeschiedenis, maar reikt veel verder dan dat. Misschien wilde ik hem juist daarom een ander einde geven. Niet om de werkelijkheid te veranderen, maar om te onderzoeken wat er gebeurt als het verleden een andere afslag neemt.

De flaptekst is inmiddels geschreven. Drie pdf’s liggen klaar om naar proeflezers te gaan. Dat is een volgende stap en eerlijk gezegd vind ik die best spannend. Tot nu toe was het boek vooral van mij. Nu gaan anderen er iets van vinden. Over de personages, het verhaal, de stijl, het tempo. Ik ben benieuwd. En misschien ook een beetje nerveus.

Biko heeft daar allemaal geen boodschap aan. Hij kan niet lezen, maar leest mij wel. Hij merkt wanneer ik te lang achter mijn laptop zit, wanneer mijn gedachten ergens anders zijn en wanneer het tijd wordt om op te houden. Hij weet niets van het manuscript of de flaptekst. Hij voelt alleen dat ik er ben. En dat ik volgens hem altijd beschikbaar hoor te zijn.

Misschien is dat ook wel het aardige aan schrijven. Je kunt maandenlang in je eigen hoofd wonen, met mensen die niet bestaan en gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Maar uiteindelijk is er altijd de werkelijkheid die zich aandient. Soms in de vorm van een lezer. Soms in de vorm van een hond van vijfenveertig kilo die een halve boomstam voor je voeten kwakt.

En ergens in het bos zit vermoedelijk een eekhoorn die zich afvraagt wat hij verkeerd heeft gedaan.

Het schrijversleven bevalt me wel.

2 reacties op “Hij kan niet lezen, maar leest mij wel”

  1. Wat een prachtig uitgangspunt! Ik ben heel benieuwd hoe je het je opa verder laat vergaan en hoe bij voorbeeld Blas of de Casinos mensen hier een rol in spelen. We verlangen natuurlijk soms allemaal naar echte opa’s in ons leven…

  2. Mooie en herkenbare schets van het schrijvend leven. Heel veel in je uppie maar met zoveel levens die je hoofd en lijf vullen. Altijd in je, bij je, gedurende de dag, bij het inslapen, soms zelfs in je dromen. Ze zijn er, ze leven.
    En dan is het manuscript er. De mensen met wie jij intens je leven hebt gedeeld, gaan nu hun eigen, nieuwe weg om lezers te ontmoeten, soms dichtbij, soms ver weg. Een prachtig bij tijd en wijlen spannend nieuw avontuur.

Geef een reactie