De letterassistent

Over bewijsdrang, een afhaal-roti, en een zebravinkje dat alles op zijn plek zet

Ik was snel. Altijd al.

Een filmproject? Ik draaide mijn hand er niet voor om. Een grote reis, een ingewikkelde samenwerking, een idee dat nog half rauw was maar wel brandde — ik ging. Zonder al te veel nadenken, met veel gevoel voor opportunisme en een rugzak die ik in een uur kon pakken.

Cuba was zo’n moment. Maanden underground, beelden die ik zelf spectaculair vond, verhalen die niemand nog had verteld. Ik vloog terug via Madrid naar Amsterdam met het gevoel van iemand die iets heeft meegebracht wat de wereld móést zien.

Mijn producent in Amsterdam dacht daar anders over.

Twee volzinnen. Een afhaal-roti als troost. Een taxi naar het goedkoopste hotel dat ik kon vinden.

Er is geen publiek voor jouw thema.

Hoe weerleg je zoiets? Ik had nooit publieksonderzoek gedaan. Ik had beelden. Ik had verhalen. Ik had een maag die al drie maanden op het verkeerde moment rijst met bonen at. Maar geen cijfers, geen marktanalyse, geen legitimatie.

Ik droop af.


Wat daarna volgde waren jaren van overleven. Kleine successen, lange periodes van hoofd buigen en tanden op elkaar. Want in het kleine, elitaire kringetje van de Nederlandse documentaire- en kunstwereld gold één wet: wie lastig was, werd vergeten. Wie zijn trots inslikte, mocht blijven pitchen. Ik leerde me te gedragen als iemand die ik niet was. Ik leerde mijn teleurstelling te doseren, mijn enthousiasme te temmen, mijn ideeën herschrijven totdat ze pasten in de mal van een fonds of een producent die er wijn bij dronk en oogcontact meed.

Ik was een straathond die leerde dansen voor anderen.


Rond mijn 55e raakte ik een soort punt van no return.

Niet met veel drama — geen huilbui, geen vuistslag op tafel. Gewoon een stille, heldere constatering: ik wil dit niet meer. Ik wil mijn hoofd niet meer buigen. Ik wil mezelf niet meer bewijzen aan mensen die minder moeite doen dan ik en er beter van worden.

Bewijsdrang maakte plaats voor iets anders. Ik noem het bestaansdrang. De wens om er gewoon te zijn, te maken wat ik wil maken, te vertellen wat ik wil vertellen — zonder omweg langs commissies, formulieren of de goedkeuring van iemand die zijn jasje aan de kapstok hangt en mijn passie in twee zinnen afserveert.

De verhuizing naar Spanje was het symbool. Hetzelfde leven, maar dan anders.

Maar afkicken gaat niet in één besluit.


Want vlak voor de verhuizing maakte ik nog één gekke creatieve bokkensprong. Een oud collega uit het communicatievak benaderde me voor een groot egodocument. Tien jaar werk, ofwel zijn levenswerk. Een kilo’s zwaar wegend boekwerk vol grensoverschrijdingen en zelfopenbaring. Interessant.

Ik was gefascineerd — niet zozeer door het project zelf, maar door de vraag die het opriep. Hoe verzamelen mensen de moed om zichzelf op een podium te zetten, met een verhaal over zichzelf? Ik vond dat altijd al een soort superkracht die ik mezelf nooit toestond. En ik voelde me vereerd om benaderd te worden als redacteur voor andermans grote levensverhaal.

Zestigduizend woorden. Maanden werk. Lezen, herlezen, woorden duwen en teruggeduwd zien worden.

En toen de drukproef op mijn scherm verscheen, voelde ik… niets. Niet omdat het project niet mooi was. Maar omdat ik er mijn eigen ziel nooit in had herkend. Alleen het lef en het ego van de maker fascineerde me — de fysieke schoonheid en het gewicht van het verhaal. Niet de inhoud. Niet mijn bijdrage.

En toen zag ik het colofon.

Een hele pagina vol met de naam van de maker — dat was de grap, zijn grap, en eerlijk gezegd ook zijn goed recht in zijn eigen egodocument. Mijn naam stond er ook in. Als letterassistent.

Letterassistent.

Het voelde precies zoals dat ene moment na Cuba: geleverd, afgeserveerd, gedegradeerd tot bijzaak. Alsof ik een film had ingeleverd bij een omroep en mijn naam twee seconden in beeld mocht, terwijl het logo van de producent 20 seconden het scherm vulde.

Ik boog mijn hoofd en hield mezelf klein. Zei er niks van. Durfde dat niet. En deed er nog een schepje bovenop: ik schreef een song als extra cadeau voor de presentatie. De grote dag brak aan: een afgehuurd theater, een volle zaal, zeven minuten voor mij op het podium. Maar in mijn naaste familie speelde zich op dat moment ook een duo-sterven af. Ik wilde er zijn, niet op een podium staan om andermans ego op te poetsen in een TED-waardige speech. Ik wilde een misschien wel laatste kop koffie en gesprek met mijn familie die van de rand van deze wereld der levenden af dreigden te vallen.

Mijn collega begreep het niet. Of wilde het niet begrijpen. Hij begreep vast dat het vervelend is dat er mensen doodgaan, maar ik had zijn programma-schema in de war geschopt. Het ego zegevierde, maar niet het mijne; ik bleef met een enorme knoop vol schuldgevoelens zitten, die totaal onterecht was.

Stomp in de maag. Als letterassistente zou het grote publiek mij toch niet missen. En zeven minuten podium-praat, kun je dat afzetten tegen het afscheid nemen van een mensenleven?

Het mooie, zware boek heb ik nooit gekregen. Op social media werd mijn naam nooit genoemd. Het fysieke bewijs van mijn bijdrage is waarschijnlijk terechtgekomen bij iemand die een betere marketingspin in zijn web was. Of bij tante Sjaan, die wel naar het theater was gekomen.

Ik voelde me klein en gekrenkt.


Maar ergens in die gekrenktheid slopen er ongemakkelijkere vragen naar binnen. Vragen die ik liever niet stelde, maar die zich niet lieten wegwuiven.

Waarom zei ik eigenlijk geen nee? Waarom werd ik niet gewoon boos, of eiste ik erkenning en naamsvermelding? Waarom zette ik als een idioot hartjes en duimpjes onder zijn social mediaberichten over het boek? Waarom schreeuwde ik niet van de daken dat ik mee had gewerkt aan dit succesvolle project? Waarom ging ik niet te raad in mijn onderbuik toen we de opdracht bespraken? Waarom gaf ik extra tijd aan dit project weg — ongezien — en schreef ik er daarna ook nog een song bij als extraatje?

Er is iets goed mis met me, dacht ik. Niet met hem. Met mij.

Want de bewijsdrang had zich vermomd als grootmoedigheid. Als collegialiteit. Als de behoefte om ertoe te doen in andermans verhaal, omdat ik mijn eigen verhaal nog niet durfde te vertellen.

Ik wist het opeens zeker: ik moest stoppen met dansen voor een ander. Ik moest de paso-doble aangaan met mijn eigen ego.

Leerpuntje.


Spanje dwingt me terug naar mijn kern. Niet omdat het er zo vredig is — de Spaanse bureaucratie is ronduit tergend en familierelaties blijven complex waar je ook woont. Maar de druk van het systeem is weg. Ik hoef mijn hoofd niet te buigen in angst voor toekomstige afwijzingen. Niet meer dansen als een circushond voor andermans successen. Geen pitches. Geen meetings met mensen die meer verdienen door minder te doen. Geen goedkeuring nodig van derden om te mogen beginnen.

Soms overvalt het me toch. Ik loop te hakken en te graven in onze tuin en dan, opeens — een stomp in mijn maag. Een herinnering. De oude knoop. Ben ik wel goed bezig? Moet ik niet nog één grote klap maken? Een boek schrijven, een film maken, een museumexpo uit de klei trekken?

Het hakken lijkt dan opeens even zinloos. Het bloggen een hobby van een oude dame. Het netwerken een doelloze poging om een stukgeslagen spinnenweb te repareren.

Maar dan. Een zebravinkje. Een koningspagevlinder. Een jong konijn dat over mijn hugelbedden trippelt. De zon in mijn nek, een buurman die me guapa noemt en een duwtje in de rug geeft.

En mijn hart daalt terug van mijn keel naar mijn borst.


En langzaam, tussen het stof en de klei aan mijn laarzen, ontdek ik iets: de ideeën komen nog steeds. Maar ze voelen anders. Lichter. Van mezelf.

Een tuin is ook een verhaal. Een plan mag weer kriebelen zonder dat ik er meteen een begroting bij moet indienen. Een berg lijkt minder steil als je hem niet hoeft te beklimmen om iemand anders te imponeren.

Ik ben en blijf een verhalenverteller. Woorden en letters stromen door mijn bloed. Maar de drang om dat te bewijzen is langzaam aan het slijten — als oude verf op een muur die er mooier op wordt. Het verhaal begint waar ik ben. Niet waar ik moet zijn.


Één reactie op “De letterassistent”

  1. Gerda Driessen avatar
    Gerda Driessen

    Schitterend. Eindelijk helemaal jezelf zijn. Zien, voelen, horen, ruiken en proeven. Je werkelijkheden groter dan een keurslijf. Dat heet op weg naar echte vrijheid.

Geef een reactie