5 mei 2025

Ik heb een steen in mijn tuin gelegd voor mijn opa.
Niet naast een graf — want een graf is er niet. Geen plek om naartoe te reizen, te knielen, bloemen achter te laten. Alleen een steen in de aarde, tussen de andere stenen die ik daar heb neergelegd voor mensen die er niet meer zijn. Soms raak ik hem even aan als ik langsloop. Soms ga ik erop zitten en kijk ik uit over het uitzicht dat hemels lijkt. En dan denk ik aan Jean Marie Dael, mijn moeders vader, die ik nooit heb gekend en toch mijn hele leven heb gezocht.
Vandaag is het 5 mei. Bevrijdingsdag. Maar voor mijn familie is het ook de dag waarop de bevrijding net te laat kwam.
De man die bijna nooit thuis sliep
Jean Marie Dael woonde in het centrum van Venlo. Hij had daar een boekenzaak annex bibliotheek — De Boemerang — en hij was actief in het verzet. Hij ontving KP-strijders in de keuken achter zijn winkel, herbergde wapens voor overvallen op Duitse distributiekantoren en verstopte tijdelijk neergeschoten Engelse piloten tot ze een nieuw schuiladres konden vinden. Zijn zoon — mijn oom — vertelde later dat hij als kind op een grote kist met wapens sliep.
Omdat hij wist hoe gevaarlijk zijn werk was, sliep Jean Marie bijna nooit thuis. Hij wilde zijn vrouw en kinderen niet in gevaar brengen. Er was zelfs een vluchtroute uitgestippeld: via de zolder en de meelzolder van de buurman, een bakker, kon hij bij gevaar ontsnappen.
Net die ene nacht dat hij wel thuis was, bij zijn vrouw, werd er in de vroege ochtend op de deur gebonsd.
Zijn kinderen stonden boven voor het raam en zagen hoe hij verdween om de hoek, ingeklemd tussen twee agenten. Zijn vrouw mocht hem nog een boterham met spek nabrengen naar het politiebureau verderop in de straat. Zij was de laatste die hem levend zag.
Recht tegenover zijn huis lag — en ligt nog steeds — Café Restaurant Prins Bernhard. Van daaruit werd hij geobserveerd. Van daaruit werd hij verraden.
De valreep
Tegelijk met Jean Marie werden ook zijn broer Leopold en zijn zus Jet gearresteerd. Jet werd vrijgelaten na langdurige en zware verhoren in de Maastrichtse gevangenis. Leo en Jean — Jan in de volksmond — werden overgebracht naar Kamp Vught.
Er zijn mensen die de laatste trein missen. Mijn opa en mijn oudoom niet.
Op 5 en 6 september 1944, vlak na Dolle Dinsdag, vond het laatste transport uit Kamp Vught plaats. De Duitsers, de geallieerden in hun nek voelend, zetten in allerijl nog ruim drieduizend gevangenen op transport naar concentratiekamp Sachsenhausen bij Oranienburg — vlak bij Berlijn. Jan en Leo zaten daartussen. Meer dan de helft van die groep zou de oorlog niet overleven.
Maar ook uit Sachsenhausen ontsnapten ze niet. Ze werden op het allerlaatste transport gezet naar Mauthausen in Oostenrijk — een kamp dat inmiddels zo overvol was dat er nauwelijks ruimte was om te sterven.
In maart 1945 telde het kampcomplex Mauthausen ruim 84.000 gevangenen. De bevrijders waren onderweg. Het was een kwestie van weken, misschien dagen. Jan en Leo werden in het zogenoemde Russenlager gegooid — aanvankelijk een afgezonderd deel van het kamp voor Russische krijgsgevangenen, later omgedoopt tot het Krankenlager: een grote tent net buiten het kamp, waar wegens overbezetting ook politieke gevangenen en zieken werden opgesloten om er te sterven onder erbarmelijke omstandigheden. Nauwelijks medicijnen, nauwelijks voedsel, geen warmte.
Volgens de overlijdensakte stierf Jean Marie Dael op 9 maart 1945 aan gordelroos en buikloop — vermoedelijk in combinatie met honger en onderkoeling. Zijn broer Leopold stierf enkele dagen eerder, op 1 maart 1945.
Kamp Mauthausen werd op 5 mei 1945 bevrijd door het Amerikaanse leger. Twee maanden na de dood van Jan en Leo.
Op de valreep. Altijd op de valreep.
Zoeken in de sneeuw
Ik ben vijf keer naar Mauthausen gereisd. Met de trein. Het waren pittige werkreisjes, zo noemde ik ze voor mezelf — alsof ik er afstand mee kon bewaren.
Eén keer ging ik er samen naartoe met een vriendin, fotografe. Het kamp bleek gesloten wegens een sneeuwstorm. We kregen de uitzonderlijke kans toch naar binnen te gaan en liepen vijf uur lang door het maagdelijk witte, bijna serene kamp. Op de bewaking na waren we alleen. Het had iets vredigs — al is dat moeilijk voor te stellen op een plek waar minstens negentigduizend mensen zijn vermoord.
Uren lang zocht ik in gangen en kelders, in barakken en douches naar een teken van zijn bestaan. Zou hij, net als anderen, ook zijn naam ergens in een muur of een stuk hout hebben gekrast? Ik speurde naar fotomateriaal. Ik probeerde tussen uitgemergelde gezichten met holle ogen een teken van herkenning te vinden. In het lijden en de dood lijken we allemaal op elkaar, besefte ik. Van die leegte in de ogen droom ik nog regelmatig.
Soms voelde ik in Mauthausen niets. Een andere keer woede — woede omdat de omgeving zo idyllisch was. De mooie Donau als een donkerblauw lint tussen de bergen, de bossen, de herten, de lente die nietsvermoedend losbarstte. De fietstoeristen met pullen bier op het terrasje. Een andere keer was ik stil. Van binnen. Zo stil dat ik er zelf een beetje bang van werd.
Mijn moeder, die zelf nooit de moed vond om naar het kamp te reizen, hing bij mijn terugkeer aan mijn lippen. Ik vertelde haar niet alles.
De stolpersteen
Voor het huis waar Jean Marie woonde, in het centrum van Venlo, is een Stolperstein gelegd — een struikelsteen. Een klein koperen plaatje in het plaveisel, met zijn naam, zijn geboortedatum en zijn sterfdatum. Je loopt erover heen zonder het te weten, en dan kijk je omlaag, en dan struikel je. Niet met je voet. Met je gedachten.
Venlo is een grensstad. Al decennialang komen mensen uit het Ruhrgebied er winkelen. Zij lopen ook over die steen. Ik zag ooit een Duitse kooptoerist een sigarettenpeuk uitdrukken op de steen en ik werd woest. De arme man dacht dat ik gek was en liep verschrikt weg.
De schuld die niemand droeg maar iedereen voelde
Jarenlang heb ik gewroet in mijn familie op zoek naar antwoorden. Wie had hem verraden? Een van mijn ooms — mijn moeders broer — vertelde dat hij degene was geweest die die vroege ochtend de deur had geopend voor de vijand. Hij had dat gevoel zijn hele leven meegedragen. Een andere oom claimde dezelfde herinnering, hetzelfde schuldgevoel, met een ietwat afwijkend verhaal. Ik heb nooit kunnen achterhalen wie daadwerkelijk de deur geopend had.
Jarenlang heb ik mijn oma verdacht. Ik baseerde dat nergens op, behalve op het feit dat ze altijd boos en kil werd zodra ik iets vroeg over opa. Ze weigerde zijn naam te noemen. Behalve die ene keer toen ze me – na drie advocaatjes op zondagochtend – vertelde dat mijn opa een roekeloze losbol was, die het hele gezin naar het buitenland had willen verhuizen eind jaren dertig. Zij had geweigerd haar relatief rustige leven als middenstandsvrouw te verlaten. Ze leek nog steeds trots op die weigering.
Mijn moeder en oom vertelden later dat ze vlak voor de oorlog allemaal nieuwe paspoorten hadden gekregen. Jean Marie wilde emigreren naar het neutrale Zwitserland, weg van de naderende oorlogsdreiging. Die emigratie mislukte. En dus werd hij verzetsstrijder.
Tot 1947 deden geruchten de ronde dat hij was ontsnapt en in Frankrijk of Zwitserland een nieuw leven had opgebouwd. Mijn moeder was een kind en groeide op met die verhalen. Een vader die misschien nog leefde, ergens, in een mooi neutraal land dat hij altijd al had gewild.
Ik heb nooit gevonden wat ik zocht in mijn familie. Misschien is er ook niets te vinden. Misschien is schuld gewoon de vorm die verdriet aanneemt als het geen uitweg vindt.
Hald Mood
Op haar sterfbed gaf mijn moeder mij een beduimeld stukje karton.
Twee woorden stonden erop. Houd moed. En het adres van mijn grootouders in de binnenstad van Venlo.
Doe er iets mee, zei ze.
Het was het laatste teken van leven van Jan. Hij had het briefje uit de trein gegooid, ergens op de route naar Mauthausen. Een boer vond het langs de spoorlijn en bracht het na de oorlog naar het Rode Kruis. Via een lange omweg ontving mijn familie het in 1947 — samen met een overlijdensakte en twee erebrieven, ondertekend door Eisenhower en Churchill.
Een vodje karton. Uit een rijdende trein gegooid. Door iemand die wist dat hij waarschijnlijk niet zou terugkomen.
Ik heb het briefje later geschonken aan het Venlose stadsarchief, omdat ik bang was het kwijt te raken met mijn verhuisdriftige leventje. Het ligt daar nu veilig, dat stukje karton met een paar woorden erop. Maar de woorden zelf zijn bij mij gebleven.
Hald Mood. Zo zei mijn moeder het, in het Venlose dialect, als ik als kind moedeloos was. Ze zei het luchtig, bijna terloops — en pas veel later begreep ik waar ze die uitdrukking vandaan had. Van een man die ze nauwelijks had gekend. Van een briefje dat door de lucht had gevlogen langs een spoorlijn, ergens tussen Nederland en Oostenrijk.
Ik denk vaak aan wat het betekent om anderen moed toe te wensen als je zelf de dood in de ogen kijkt. Het is misschien wel de moedigste daad die er bestaat — niet vechten, niet vluchten, maar je hand uitsteken naar iemand anders op het moment dat je zelf alle moed verloren hebt.
Moed. Vluchten. Verzet. Het zijn in mijn leven geen loze woorden geweest. Ik ben geen verzetsheld — verre van dat. Maar ik ben wel een moedig mens, en tegelijk een vluchter. Iemand die steeds opnieuw een nieuw leven wil opbouwen op een plek die niet voelt als een schuldig landschap, tussen schuldige mensen. Of misschien vlucht ik juist naar plekken waar ik het schuldige landschap en de schuldige mensen het scherpst zie — en waar ik er tenminste eerlijk over kan zijn.
Hald Mood, opa. Ik doe mijn best.
Herdenken in eenzaamheid
Dit jaar herdenk ik in stilte. Zoals mijn moeder dat ook altijd deed.
Ik leg geen bloemen. Ik ga niet naar de Dam. Ik raak de steen in mijn tuin aan, ga er even op zitten, kijk uit over het uitzicht dat hemels lijkt — en denk aan een man die bijna nooit thuis sliep omdat hij zijn gezin wilde beschermen. Die net die ene nacht thuis was. Die een boterham met spek meekreeg van zijn vrouw, de straat om de hoek verdween, en nooit meer terugkwam.
Herdenken is geen ritueel. Het is de weigering te vergeten.
Jean Marie Dael. Geboren in Venlo. Gestorven op 9 maart 1945 in Mauthausen.
Ik noem zijn naam.
Op de valreep van de bevrijding.
Bronnen en historische verificatie: de data van overlijden van Jean Marie Dael (9 maart 1945) en Leopold Dael (1 maart 1945) zijn terug te vinden in de Nederlandse slachtofferregisters. Het laatste transport uit Kamp Vught naar Sachsenhausen vond plaats op 5 en 6 september 1944. Mauthausen werd bevrijd op 5 mei 1945 door het Amerikaanse leger. In het kampcomplex stierven naar schatting minstens 90.000 mensen. Het Krankenlager (ook wel Russenlager) was een tentenkamp net buiten het hoofdkamp waar zieken en politieke gevangenen onder erbarmelijke omstandigheden opgesloten werden.
https://aachen-webdesign.de/verzet/indiv.php?lang=en&ID=532

Geef een reactie