Flatulentie

Het leven is een scheet, een luchtig verhaal

Flatulentie. Zeg het hardop. Fla-tu-len-tie. Het klinkt als een operazanger die zijn keel schraapt voor zijn grote aria. Als een Latijns woordenboeklemma voor iets wat een Romein deed in het badhuis. Als de naam van een vrouw die je liever niet tegenkomt op een feestje, maar die wel altijd het leukste verhaal heeft.

Flatulentie betekent: lucht in je maag- en darmkanaal, die op enig moment — met of zonder aankondiging, met of zonder publiek — naar buiten zoekt. Ofwel: scheten. Maar dan deftig.

De nette kinderen uit mijn klas zeiden vroeger niet scheet, maar windje. Ik dacht jarenlang dat dat twee verschillende dingen waren. Het ene fris, het andere niet. Het één had je als je buiten stond. Het ander vlak daarna.


Vandaag regent het. Gulle meiregen. Ik banjer door de tuin — mijn sokken zijn toch al nat, dus wat maakt het uit — om te checken of mijn droogteminnende zaailingen niet aan het verdrinken waren. Ze staan er vrolijk bij. Goed.

Het terreinkonijn heeft weer huisgehouden. Vier nieuwe holletjes. Kaarsrecht alle worteltopjes van mijn nieuwe aanplant afgeknabbeld, met de precisie van een chirurg. Ik heb om wat nieuwe boompjes een antikonijn-barricade gebouwd van satéprikkers — prik naar buiten, als een soort vesting in het klein. Ik hoop dat broer konijn niet te enthousiast aangerend komt. Niet omdat ik niet van konijnen houd, hoor. Een satéprikker in je borstje is een droevig einde voor een levend wezen dat het met wortels had kunnen redden.

Ik dwaal. Natte sokken, regen in mijn nek, de berg stil, de vogels luidruchtig.

En daar, tussen de stenen naast mijn hugelbed, staat opeens een plant die er eergisteren — ik zweer het — nog niet was. Groot. Zelfverzekerd. Groen. Geurend.

Google Lens zegt: Welriekende Ganzevoet.


Welriekende Ganzevoet. Ook zo’n woord. Veel poëtischer klinkt hij in het Spaans: ”Quercus fragante”. In Midden-Amerika, lees ik, wordt dit kruid aan bonenschotels en spinazie toegevoegd omdat het ergens smaakt tussen munt en citroen, met een rokerige ondertoon. Maar bovenal — en hier komen we terug bij het begin — het is een remedie tegen flatulentie. Ofwel: je hoeft geen scheten meer te laten na je chiliconcarne.

De plant lost dus een probleem op dat hij zelf mee veroorzaakt, want bonen zonder dit kruid maken je al op gang. Slimme plant.

In Nederland wordt diezelfde Welriekende Ganzevoet omschreven als invasief onkruid. De geur: ergens tussen benzine en terpentijn. Onsympathiek plantje, aldus de Nederlandse neus. Niets over flatulentie, uiteraard. Wij praten liever niet over flatulentie. Wij zeggen windje.


Onkruid. Nóg zo’n woord. Een plant die je niet hebt uitgenodigd maar toch aankomt, gaat zitten, en weigert weg te gaan. In feite: iedere plant met een eigen agenda. In Midden-Amerika gooien ze hem in de soep. In Nederland trekken ze hem eruit.

Ik laat hem staan. Als bewijs dat de natuur zich weinig aantrekt van wat wij onsympathiek vinden.


Het is doodstil op de berg. Loodgrijze wolkjes kruipen over de bergen in de verte. Om me heen het zachte druppen van de regen op steen en blad. Windstil. Stil.

Ik laat een scheet.

Omdat het kan. Omdat niemand het hoort. Omdat er geen betere plek is dan een stille berg in de regen om je lucht te geven.

Of was het een windje?

Het leven, dacht ik, is misschien wel precies dat. Opgeblazen gevoel, een beetje te vol, een beetje te gespannen — en dan, op een onverwacht moment, de lucht eruit. Opluchting. En dan verder.

Fla-tu-len-tie.

Prachtig woord.

Geef een reactie

Ontdek meer van Tanja Nabben blogt

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder