Met de broek los

We rijden over de Route du Soleil, richting Nederland. Rommelig en druk. In de auto draaien de jaren 70 op repeat en af en toe brullen we een half nummer mee — vals, vol overgave, met die gekke euforie die alleen ontstaat in een auto waar je nog acht uur zit. Elke twee uur strekken we onze benen op een parkeerplaats. Kleffe sandwiches. Gazpacho uit pakjes.

Ik raak gefascineerd door deze parkings: kleine internationale universa, met eigen geuren, eigen regels, eigen rangordes. En vooral: eigen toiletten.

Ik sta in de rij achter een hele bus Japanse dames. Waarschijnlijk halverwege hun ‘Europe in 4 days’. Gedwee, zwijgend, in keurig synchroon ritme schuiven ze elke vijftien seconden een halve meter op. Mijn blaas staat op ontploffen. Mijn voeten zakken weg in een laag papier-maché van wc-papier en grauw water uit een lekkende leiding. De deur gaat dicht, gaat open, dicht, open. Verlossing is nog drie Japanse dames ver.

Weer buiten word ik aangeklampt door een jongeman in trainingspak, pet op. Hij mompelt iets wat ik niet versta. Mijn reflex om in versnelde pas door te lopen wordt ruw onderbroken als ik over mijn eigen veter struikel. Hij staat grijnzend toe te kijken hoe ik opkrabbel. Schouderophalen. Doorlopen. Waarschijnlijk had hij gewoon gezegd dat mijn veter los zat. Ik schaam me over mijn paranoïde onvriendelijkheid. Nog amper in Frankrijk en ik loop al voorgeprogrammeerd door het leven.

De toiletten langs de Route du Soleil zijn een internationaal, plakkerig gebeuren. Geen bijster interessant onderwerp, dat geef ik toe. Maar als ik wat dieper graaf zie ik overeenkomsten met die andere wereld die lijkt te barsten van ongelijkheid, oorlog, rotzooi en ellende. Iedereen schuift een halve meter op richting verlossing. Iedereen probeert niet uit te glijden over wat anderen achterlaten.

We schieten op, maar zijn ook moe. Van het rijden, het verkeer, een paar intense Spaanse dagen. We besluiten in etappes terug te gaan. De planning in Nederland die me wacht voelt als een te strakke broek na een te uitgebreid etentje. Ik doe mijn innerlijke broeksknoop maar vast los. Veiliger.

In de rijdende bubbel neem ik de plichten en de sociale marathon door. Rondje familie in Venlo, met een treurig doel deze keer: ik ga afscheid nemen van mijn zus, die binnenkort sterven gaat. ‘Oh wat erg, maar je hebt toch nog wel tijd voor een kop koffie, een lunch?’ hoor ik een oude vriend vragen aan de telefoon. Ja natuurlijk, ik wring me graag in bochten zodra ik in NL ben. Ik boek een huurautootje, want treinen door dat land is een onbetaalbare missie geworden. Het scheelt ook veel kwaliteitstijd, reken ik uit: wachten op treinen, lopen naar busstations, ov-fietsen. Een ingewikkelde race tegen de klok. Werken doe ik tussendoor. Mensen interviewen, filmpje draaien, ongemakkelijk gesprek met een opdrachtgever die geen idee heeft waarvoor hij me eigenlijk heeft ingehuurd. Luxeprobleem, ik weet het. Ik heb werk, ik mag me in m’n handjes knijpen.

Volgende stop: Frankrijk. De parkeerplaatsen zijn hier groter en de wc’s nog een graadje smeriger dan in Spanje. Wc-papier is structureel op. Het mysterie van vrouwen die naast de pot piesen of hun gebruikte maandverband tegen de tegelmuur plakken blijft mij verbijsteren. Wie zijn jullie? Wat is er met u gebeurd?

Geen Japanse rij deze keer, maar mokkende Nederlanders. ‘Mam, mag ik een hamburger?’ ‘Nee, we hebben boterhammen bij ons.’ Tienerdochter knalt haar wc-deur zo hard dicht dat ik van schrik bijna naast de pot pies.

Terug in de auto: het Nederlandse nieuws. Enge fascisten die een asielzoekerscentrum in de hens steken. Een gestoorde politicus die oproept tot geweld tegen Palestijnen die ons land in willen. Maar gelukkig zijn we wel weer een paar tredes gestegen op de ladder van persvrijheid. Het land staat in brand en wij rijden er recht op af.

Het heeft iets van een martelgang, dit terugrijden, ondanks dat we het samen gezellig hebben. Verwachtingen en verplichtingen drukken op mijn buik als die te strakke broek waar de knoop al van los is. Tijdens het schrijven van dit warrige epistel voel ik me steeds misselijker worden. De grens tussen reisziekte en bezorgdheid vervaagt.

Vanochtend stond ik bij onze poort. Een eekhoorn glipte weg, jonge zwaluwen oefenden in de lucht. Alles voelde als vrede. Op de Route du Soleil, op de toiletten, op de radio blijkt dat een illusie. In Spanje maak ik deel uit van een zekere onderstroom: een simpele geest die schrijft, zich verwondert, en probeert een minuscuul stukje aarde gezond te houden. En mezelf. Eenmaal onderweg naar het Noorden besef ik dat ik óók deel uitmaak van de massastroom. Mensen die in de rij staan om te piesen. Mensen die hun hoofd moeten buigen voor onrecht. Mensen die vluchten voor oorlog.

De bubbel is zalvend voor de geest. De buitenwereld geeft me elke kilometer meer reden om er uit weg te blijven. Ik duik een uurtje online: social media zit vol aso’s en boze mensen die elkaar de maat nemen, zichzelf etaleren (love my life!) Iedereen labelt, iedereen is perfect. Links, rechts.

Wij rijden rechtdoor. Met de broek los, de schoenveters strak en de blik op oneindig. Mooier kan ik het leven niet maken buiten de bubbel. En als ik eerlijk ben: love my life.

Geef een reactie

Ontdek meer van Tanja Nabben blogt

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder