CODE ROOD VOOR WIE?Zonnebrandcrème, seminars en de wortelrot onder ons dakloosheidsbeleid

Nederland staat in brand. Letterlijk bijna. Er is een hittegolf, code rood, en mensen die dakloos zijn behoren officieel tot de meest kwetsbaren bij extreme hitte. Dat zegt het RIVM. En dan?

Dan zijn er gemeenten die douches aanbieden. Zonnebrandcrème wordt uitgedeeld. Water gebracht. In Berlijn rijden hittebussen door de stad, openen kerken en musea hun deuren als gekoelde toevluchtsoorden. In Gent werden extra opvangbedden geopend. In Nederland brengen opvangorganisaties dagelijks water en zonnebrandcrème. Dat lazen we gisteren als goed nieuws.

Het is niet niets. Maar het is belachelijk weinig voor een land dat zichzelf beschouwt als progressief, sociaal en daadkrachtig.

Code rood geldt kennelijk alleen voor mensen met gordijnen.


We hebben de winteropvang. Een constructie waarbij per gemeente, door ambtenaren vanuit een goed verwarmde — of gekoelde — werkomgeving, wordt bepaald bij welke gevoelstemperatuur noodopvang wordt aangeboden. Niet als het 5 graden is en regent. Niet als het hagelt maar de thermometer net boven de drempelwaarde blijft. Voor de zomer bestaat geen equivalent. Geen zomeropvang. Geen hitteprotocol met tanden. Er is wel een plan.


In december 2022 werd het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis gelanceerd. Doel: niemand meer dakloos in 2030. Jaarlijks 450 miljoen euro. Een paradigmashift van opvang naar preventie en Wonen Eerst. Op papier prachtig. Ik heb er met trots aan meegewerkt en wel in een van de meest vooruitstrevende gemeenten op dit gebied. Ik had het genoegen om samen te werken met koplopers, kartrekkers en collega’s met hart en handen op de beste plek.

Maar waar staan we nu? Het CBS schat dat er begin 2023 ruim 30.000 mensen dakloos waren — meer dan het jaar ervoor. En dat CBS-cijfer is geen telling, het is een schatting op basis van registers. Kinderen tellen niet mee. Mensen boven de 65 niet. Mensen zonder verblijfsstatus niet. Vrouwen die noodgedwongen op een camping wonen, jongeren die van bank naar bank bewegen, gezinnen in een auto: niet in beeld.

Daarom bestaat de ETHOS-telling — een daadwerkelijke telling op één dag, uitgevoerd door Kansfonds en Hogeschool Utrecht. ETHOS (European Typology of Homelessness and Housing Exclusion) is de Europees erkende standaard. Bij de derde telronde in 2025, in slechts 57 van de 342 Nederlandse gemeenten, werden al 28.721 mensen geteld die dakloos zijn of dreigen te worden. Bijna evenveel als de CBS-schatting voor héél Nederland. Van de getelde personen was 31% vrouw, 14% kind, 19% jongere. Onderzoekers telden kinderen die buiten sliepen. In Nederland. In 2025.

Er wordt vooruitgang geboekt. Langzaam. Tergend langzaam. De beweging van opvang naar preventie wordt “breed omarmd.” Breed omarmen is iets anders dan breed uitvoeren. En ondertussen groeit het aantal mensen dat dakloos is. Dat is het tegenovergestelde van wat we wilden.

Vijfentwintig jaar geleden woonde ik ook off grid in de bergen van Ronda, Zuid Spanje. Ik wilde weten hoe het was om een leven op te bouwen zonder systeem, zelfvoorzienend, remote, buiten de gebruikelijke kaders. Daar gaf ik, hartstikke illegaal, tijdelijk onderdak aan o.a. twee ex-militairen van het vreemdelingenlegioen, zonder paspoort en met een verslavingsprobleem. In ruil voor bed, bad, brood en gezelschap, werkten zij twee uur per dag mee op het land. Meer mocht, maar hoefde niet.

Het was geen idylle. Ruzietjes om pakjes sjag en flessen drank, soms grimmige momenten, een dorpsburgemeester die het met lede ogen aankeek, hij had liever toeristen dan mensen zonder huis in zijn mooie, witte straatjes.

Maar in enkele maanden zag ik iets veranderen. Een eigen plek. Een bed. Een dak. Een frisse douche en drie maaltijden per dag. En ja, zelfs werk, een doel en reden om bij de ochtendkrieken op te staan met z’n allen. Het deed iets met mensen. Harde randjes werden zachter. Lichamen knapten op. Bij het dagelijkse kampvuur kwamen verhalen los van mensen die zichzelf al twintig jaar ongezien en ongehoord voelden, gedoemd tot rottigheid waanden. Het kostte me weinig, want ik had zelf amper iets. Maar het leverde hun iets op dat geen beleidsdocument kan bieden: het gevoel dat ze ergens waren waar ze niet weg hoefden als ze zich een keer misdroegen.

En mijn omgeving begon te beseffen dat iemand zonder huis geen dreiging was. Maar een aanvulling op de gemeenschap. Ze werden ingeschakeld voor kleine klusjes in het dorp; een muurtje breken, een oud huis leegruimen. Ik geef toe, dat ging ook niet altijd even soepel, maar het ging.

Dat was misschien mijn eerste les in een verhaal dat mij nog lang zou vormen, in werk en leven. Een eenvoudige deur openzetten doet meer dan duizend mooie beleidsverhalen, seminars of politieke beloften.


Ik woon nu weer in Spanje, weer off grid in de bergen, nu in de regio Valencia. Ik meldde me als vrijwilliger bij een paar Spaanse daklozenorganisaties; en opportuun als ik kan zijn dacht ik dat men wel zou happen op mijn CV en aanbod; meertalig, gemotiveerd, 35 jaar ervaring in straatwerk en specifiek 15 jr ervaring met de doelgroep: mensen die het zwaar hebben. Bij de eerste werd ik op een wachtlijst gezet en hoorde ik nooit meer iets. Bij de tweede, een equivalent van de bekende Housing First-organisatie, waarvan ik even opgewonden raakte omdat Richard Gere beschermheer is (die man heeft mij al postpuberaal in zijn greep sinds An Officer and a Gentleman, kerel naar mijn hart) werd gevraagd naar certificaten en diploma’s, om uiteindelijk te horen dat ik te ver van Madrid opereerde. En dat terwijl in Valencia de dakloze mens ook heel ruim vertegenwoordigd is.

Wat ik eruit leer: ook hier is een professionaliseringsslag gaande die het probleem beheert in plaats van oplost.

Afgelopen 4 maanden maakte ik in Nederland vier reportages bij een grote maatschappelijke opvang. In opdracht. Mijn oude stratenhart maakte een sprongetje. Het doel was nieuwe medewerkers een realistisch kijkje achter de schermen te geven. Omdat rondleidingen in een opvang nu eenmaal niet handig zijn en veel tijd kosten. Een klus naar mijn hart; met echte mensen. Het pakte echter anders uit dan de verwachting van de opdrachtgever: die struikelde over een verdwaald witbrood op een keukentafel, een rommelig bureau van een maatschappelijk werker. Een cliënt die stoned door een interview heen mompelde. Een medewerker die het ruwe randje benoemde als ruwe randje. De video’s werden beoordeeld als te slordig, vervolgopdrachten werden gecanceld. Men wilde een beeld dat mooier, beschaafder was, conform het wensbeeld van het management.

Mijn opdrachtgever vond me dus rommelig en onprofessioneel. Als een bestraft kind luisterde ik naar haar kritiek. Die heeft nog veel te leren over hoe het narratief van dakloosheid eruitziet. Het is geen script voor een organisatieportret. Het is een script dat vertelt hoe het is — zonder franje, zonder representatiedrang.

Ik heb als documentairemaker en schrijver nooit gewerkt met risicoanalyses, maar altijd met het touwtje tussen hart, hersenen en realiteitszin. Jarenlang heb ik als een soort eenhoorn gevochten tegen de representatiedrang van mijn opdrachtgevers. Dus tja, dat innerlijke touwtje van me heeft me weinig geld opgeleverd. Wel integriteit, een paar awards, een paar volle bioscoopzaaltjes met mensen met natte ogen. Er brak iets in me toen ik begreep dat integriteit steeds minder van waarde lijkt in een wereld die een mooi beeld verkiest boven een waarachtig beeld.


En dan de conferenties. De seminars. De debatten. De presentaties. De succesverhalen op Linkedin. Steeds dezelfde gezichten op het podium. Sprekers die het verhaal over dakloosheid goed kunnen verkopen — en dat is niet niets, want er zijn mensen die beleidsmakers en politici weten te bereiken, en dat heeft waarde. Maar er is ook iets griezeligs aan events met (te) veel budget en weinig ongemak, waarbij men elkaar bevestigt in de juistheid van de koers terwijl buiten de aantallen groeien.

Onze kinderen, zussen, moeders en ouderlingen slapen godverdomme op straat.

Is het niet gek dat we seminars organiseren en analyses laten uitvoeren over een probleem dat vraagt om iets heel anders? Om vuisten op tafel. Om keiharde bakstenen. Om bestuurders die zich daadwerkelijk boos maken. Om politici die risico nemen. Om mensen die de randen van het politiek mogelijke opzoeken en oprekken.

Dit is geen tekort aan huizen alleen. Het is een tekort aan ballen. Aan vechtlust die groter is dan de eigen carrière, de politieke gevoeligheid, het grote wensdenken.

Onze wereld wordt slimmer, sneller, technologisch indrukwekkender. En tegelijkertijd rotter aan de wortel. De kloof die ik in de jaren negentig nog wilde bevechten als een ware Don Quichotte is er niet kleiner op geworden. We kunnen hem alleen beter verwoorden in TEDx-talks. Een onzichtbare wortelrot is ontstaan in de traagheid waarmee we handelen. De boom lijkt gezond. De vruchten worden kleiner.


Ik snap het principe van de druppel en de gloeiende plaat. Maar als we met z’n allen blijven druppelen, als we met meer mensen een deur openzetten — een échte deur, niet een beleidsdeur — dan gebeurt er misschien iets.

Zeven jaar geleden maakte ik voor L1 en Omroep Max een reportage die Aarden heette. Ook best rommelig, slordig, maar integer. De mensen uit die reportage zitten nog steeds af en toe op mijn schouder. Tonnie, een van de protagonisten in deze reportage, is een voorbeeld voor me. Echter en meer realistisch kan ik het niet maken. Hij staat al ruim 7 jaar online; kijk hem hier: Aarden, NPO Start.

Aan alle conferentiegangers, PR-professionals en beleidsmakers: kijk die reportage. Met de kennis van nu. En vraag je dan hardop af:

Waar zijn we met z’n allen mee bezig? Met het bouwen aan een nóg mooier systeem dat niet werkt? Met het overtuigen van elkaar hoe goed wij goed doen? Met het polijsten van ons imago als maatschappelijke organisatie, als overheid, als professionals?

Of bestrijden jullie iets dat niet dakloosheid heet, maar gewoon een gebrek aan common sense en aan mensen die iets te verliezen hebben als ze niets doen?

Code rood. Maar alleen voor mensen met gordijnen.


Tanja Nabben is documentairemaker, schrijver en kunstenaar. Ze woont en werkt vanuit de regio Valencia, Spanje. Haar reportage Aarden (L1/Omroep Max, 2019) is te zien via NPO Start.

Één reactie op “CODE ROOD VOOR WIE?Zonnebrandcrème, seminars en de wortelrot onder ons dakloosheidsbeleid”

  1. José De Kunder avatar
    José De Kunder

    Wat een super duidelijk verhaal. Ik snap en zie in de praktijk precies wat je bedoelt. Veel is niet zichtbaar, tenminste als je niet goed kijkt. Ik hoor de verhalen van netwerken waar ik toebehoorde. Je wil vaak wel helpen maar er zijn regels en die maken het niet makkelijker. Het maken van beleid vanuit een bureau, niet goed weten wat er nu echt nodig is omdat men niet in de praktijk komt. Jammer en die daedline van 2030 gaan we nooit halen. Niet zoals het nu gaat. Jammer voor de mensen die het nodig hebben en die graag anders zouden willen. Mensen op straat, maar ook mensen in de praktijk die graag willen maar niet mogen/ kunnen. Zo jammer.
    Gr José

Geef een reactie

Ontdek meer van Tanja Nabben blogt

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder